Persoonsbewijzen
In 1941 krijgt iedere Nederlander een persoonsbewijs. Iedereen is verplicht om dit document in het openbaar bij zich te dragen. Op het persoonsbewijs staat een foto, een handtekening en een vingerafdruk. Het document is het meest geavanceerde identiteitsbewijs van Europa en is moeilijk na te maken. Bij Joden wordt in hun persoonsbewijs op twee plaatsen een ‘J’ gestempeld.
Iedere Nederlander vanaf 15 jaar is verplicht dit identiteitsbewijs, voorzien van pasfoto en vingerafdruk, altijd bij zich dragen. De gegevens staan genoteerd in een centraal register.
Vervalsingen
In 1941 en ’42 worden de eerste pogingen gedaan om persoonsbewijzen te vervalsen. De naam wordt weggebleekt; de ‘J’ van Jood wordt met een mesje verwijderd en overgeplakt. Echter, een persoonsbewijs namaken, was bijna onmogelijk vanwege de meerdere beveiligingen in het papier zoals een watermerk
Het verzet probeerde daarom blanco persoonsbewijzen in handen te krijgen die dan werden ingevuld en voorzien van eveneens achterover gedrukte stempels.
Distributiebonnen
In de Tweede Wereldoorlog bestond in Nederland distributie, waarbij allerlei voedingsmiddelen en goederen "op de bon" waren. Om aan distributiebonnen te komen moest men in het bezit zijn van een zogenoemde door de overheid verstrekte distributiestamkaart. Wanneer men de bonnen had verkregen, kon men op in de kranten aangekondigde tijden de winkel bezoeken om gerantsoeneerde producten te kopen. Omdat iedereen op hetzelfde moment zijn bonnen moest inleveren, stonden voor de winkels lange rijen. Men had geld en distributiebonnen nodig; had men wel geld maar geen bonnen dan mocht er niet verkocht worden.
Het verzet stal bonnen via overvallen op distributiekantoren en maakte valse bonkaarten, zodat tienduizenden mensen onder de radar konden leven
Maak jouw eigen website met JouwWeb