Vermist sinds 8 september 1944

Verzetsman

Simon Koning werd op 26 juni 1906 geboren in Bovenkarspel. Hij trouwde met Maria Adriana Jong en zij kregen acht kinderen waarvan er vier overleefden. Hij werkte in Bovenkarspel als landarbeider maar studeerde in de avonduren voor het politiediploma. Op 1 september 1936 ontving hij dit diploma. In 1940 werd hij aangesteld als wachtmeester der Marachaussee in Spanbroek en verhuisde naar dit dorp. Toen hem door de Duitse bezetter gevraagd werd om de loyaliteitsverklaring te tekenen, weigerde hij dat.

Hij werd in 1943 lid van de Landelijke organisatie tot hulp aan Onderduikers (LO) en verzorgde voor velen een onderduikadres. Daarnaast vervalste hij persoonsbewijzen en regelde de nodige bonkaarten en bonnen. Ook was hij betrokken bij de voorbereiding van droppings op het droppingsveld Mandrill. Daarnaast vervoerde hij ook wapens voor het verzet.

Op 15 mei 1944 schreef Commandant Donders van de Marechaussee, gewest Amsterdam, naar aanleiding van het verzoek van Koning om bevordering: “De wachtmeester Koning S. is een der minst actieve politieambtenaren in de mij o.h. Afdeling. Hij beschikt over zeer matige vakkennis en is geen uitblinker in het opmaken van processen-verbaal. Hij is niet tactisch in het zelfstandig optreden. Algemene ontwikkeling is eveneens matig. Om deze redenen komt hij niet in aanmerking voor Bevordering. En hij heeft ook niet ten volle mijn vertrouwen!” Een geuzenbeoordeling, aldus zijn trotse nazaten.

Op 24 augustus 1944 wordt hij gearresteerd door Poos en Slagter, leden van het Sondercommando dat in 1944 was opgericht om onderzoek te doen naar vervalsing van persoonsbewijzen en waarvan Slagter de leiding had.
Volgens de verklaring van zijn vrouw kwam Koning die donderdagmiddag onverwacht thuis, begeleid door twee mannen van de Sicherheitspolizei uit Den Haag. Koning was al ontwapend en moest zijn uniform verwisselen voor burgerkleding. Hij kreeg de tijd om zich te wassen, te scheren en aan te kleden, maar bleef voortdurend onder toezicht. Daarna vertrok hij met hen.

Koning had thuis onder de dakpannen een envelop met namen en adressen van onderduikers verborgen. Er lag daar ook een wapen. Zijn vrouw wist hiervan. Na zijn arrestatie werd het verzet gewaarschuwd en haalde de envelop en het wapen weg en bracht ze elders in veiligheid. Op 26 augustus vond inderdaad een huiszoeking plaats. De SD zocht tevergeefs op het dak naar het materiaal dat Koning daar verborgen had. Koning werd via Amsterdam overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen, het Oranjehotel. Het Namenregister van het Oranjehotel noemt cel 595 of 596; andere bronnen noemen specifiek cel 596, een dodencel.

Als reden voor de arrestatie werd gegeven dat er onregelmatigheden ontdekt waren rond persoonsbewijzen, bonkaarten en distributiebonnen. Uiteindelijk werden ook acht mannen van het distributiekantoor opgepakt.

Deze gevangenen werden afzonderlijk opgesloten en dagelijks verhoord. De ondervragers beschikten volgens verzetsman Henk Kooter al over behoorlijk veel informatie over het verzet in Spanbroek en omgeving. Tijdens de verhoren werden namen genoemd en geprobeerd werd aanvullende informatie los te krijgen. Volgens Henk Kooter heeft Koning uiteindelijk een verklaring afgelegd waarin hij iedere betrokkenheid van andere gearresteerden uit Spanbroek ontkende. Dit zou kunnen hebben geholpen om de andere mannen vrij te krijgen.

Op 5 september 1944 ontstond in Nederland de verwachting dat de geallieerden ieder moment zouden arriveren. De Duitsers en hun Nederlandse collaborateurs raakten in paniek: Dolle dinsdag. De leider van het Sonderkommando Slagter vertrok -aldus zijn eigen verklaring na de oorlog- met zijn gezin naar Westerbork. Volgens het proces-verbaal dat op 28 mei 1948 werd opgemaakt van de verklaring van Sikko Wijmenga was hij door Slagter belast met het verdere onderzoek. Op Dolle Dinsdag stelt hij alle bescheiden, die betrekking hadden op de zaak Spanbroek, te hebben vernietigd. De acht mannen uit Spanbroek werden op 8 september door hem vrijgelaten. Koning mocht op last van commandant Munt niet weg, aldus Wijmenga.

Diverse gevangenen, die door Wijmenga verhoord werden, hebben later verklaard dat Wijmenga heel gewelddadig was tijdens de verhoren. Hijzelf ontkent dat tijdens zijn verhoor maar uit alle verhoren van gevangenen blijkt dat het waarschijnlijk de liegende Wijmenga is geweest die Koning voor het laatst gezien heeft en dan ook verantwoordelijk is voor diens dood. Mogelijk door executie op de Waalsdorpervlakte maar daar zijn -tot nu toe- geen resten van Koning gevonden. Het Rode Kruis stelde na de oorlog vast dat 8 september 1944 het laatste moment is waarop Koning door medegevangenen was gezien. Daarom wordt juridisch 9 september als vermoedelijke overlijdensdatum aangehouden.

Op 4 september 2014 is aan Simon Koning postuum het Mobilisatie Oorlogskruis toegekend.

Tot op de dag van vandaag zoeken zijn wij -zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen- tevergeefs naar wat er met Simon Koning gebeurd is na 8 september 1944. Ook de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht zoekt nog naarstig naar de laatste niet gevonden politieman.